Info over ons vlees....
We gebruiken voor onze
gerechten alleen runderen die op Schouwen-Duiveland zijn groot
gebracht van het ras : Blonde d’Aquitaine
Het ideale vleesveeras van
producent tot consument.

Zoals de naam al doet
vermoeden vindt het ras zijn oorsprong in de
zuidwest Franse regio
Aquitanië. Tot 1920 waren er drie onderrassen in Aquitainië en omgeving namelijk de Garonnaise rondom
de river de Garonne tussen Agen en Bordeaux, de
Quercy en de Blonde van de Pyreneeën aan de voet van
de westelijke Pyreneeën. Door deze rassen te
combineren en te kruisen met enkele andere rassen,
zoals de Limousin (rund) en Charolais (rund),
ontstond een vleesras dat unieke eigenschappen wist
te combineren. Blonde d'Aquitainen kunnen
gemakkelijk afkalven doordat de kalveren van dit ras
in verhouding tot andere vleestypische rassen klein
van formaat zijn. Daarnaast hebben Blonde d'Aquitainen een goed eindgewicht en kunnen leven
van een karig rantsoen. Dieren van dit ras kunnen
doorgroeien totdat ze een leeftijd hebben bereikt
van 5 - 6 jaar, in deze 5 -6 jaar kunnen stieren een
gewicht van 1500 kilo en koeien een gewicht van 1100
kilo bereiken. Doordat Blonde d'Aquitainen goed
kunnen rondkomen van een sober rantsoen, weinig
afkalfproblemen hebben en koeien van dit ras goede
moederdiereigenschappen hebben, zijn Blondes goed in
te zetten voor het begrazen van natuurgebieden. (
Meer informatie )
en lammeren die op Schouwen-Duiveland
zijn geboren van het ras : Texelaar.

De Texelaar heeft een
vrij gedrongen bouw en een bredere kop dan de Swifter. Hij heeft geen horens. De kop heeft fijn
wit haar. Hij heeft sterke lendenen en ronde,
gevulde dijen. De bewolling strekt zich uit over de
gehele romp tot aan de keel. De voorpoten moeten
flink bewold zijn, minimaal tot het midden van de
"onderarm" en aan de achterpoten minstens tot het
midden van de schenkel. Ook de staart is bewold, bij
ooilammeren wordt deze vaak vlak na de geboorte
gecoupeerd d.m.v. bijvoorbeeld een strak elastiek.
Dit wordt gedaan om later, als het dier zelf moet
lammeren, dat de staart niet in de weg zit. Bij deze
soort is bij het lammeren nogal eens assistentie van
de schapenhouder of veearts noodzakelijk.
Ooien kunnen een gewicht
van 70 à 80 kilogram bereiken bij een schofthoogte
van circa 68 centimeter. De rammen bereiken zelfs
een gewicht van 90 kilogram en een schofthoogte van
70 centimeter. De wolopbrengst bedraagt ongeveer 4 à
5 kilogram, er wordt één keer per jaar in de
voorzomer geschoren. Ze lammeren niet gemakkelijk
af.